De GGO-revolutie

 

De GGO-revolutie:  waarom biotechnologie in de landbouw een grote troef is voor mens en milieu.

Wim GRUNEWALD  Expert groene biotech

 

Genetisch gewijzigde gewassen blijven tot op vandaag het onderwerp van grote publieke controverse. Het debat startte in 1986 toen de eerste veldproeven met genetisch gewijzigde (GGO-) gewassen aangelegd werden. De discussie kreeg een tweede start midden jaren 1990 toen de eerste schepen met GGO-soja aanmeerden in Europa. Je zou het vandaag niet zeggen maar in tegenstelling tot de huidige controverse werden GGO-gewassen oorspronkelijk positief onthaald in Europa. Zo werden er op het einde van de 20ste eeuw miljoenen blikjes GGO-tomatenpuree verkocht in het Verenigd Koninkrijk. Echter in diezelfde periode stapelden voedselcrisissen zoals de varkenspest (1997), de gekkenkoeienziekte (1997) en later de dioxinecrisis (1999) zich op en het vertrouwen van de consument in de voedselindustrie daalde zienderogen. Grootschalige anti-campagnes van Greenpeace en Friends of the Earth stimuleerden angst voor GGO-gewassen en zowel consument als distributie keerde zich massaal tegen GGO’s.

Wat zijn GGO-gewassen nu eigenlijk?

De GGO-technologie stelt de wetenschap in staat om doelgericht één of meerdere gewenste eigenschappen toe te voegen aan een bepaalde plant. Als de erfelijke informatie van een plant een software pakket zou zijn dan kan men de GGO-techniek vergelijken met het upgraden van de software: men voegt de genetische code voor een bepaalde eigenschap toe aan de plant. Of, als men een plant zou vergelijken met een smartphone, dan staat het genetisch wijzigen gelijk aan het uploaden van een extra applicatie. Net zoals een smartphone met een extra app is ook een GGO-plant nog steeds dezelfde plant maar de GGO-plant kan net iets meer. Via de GGO-technologie kan men heel precies de weerstand tegen ziekten verhogen waardoor er minder pesticiden gebruikt moeten worden in de landbouw. De schimmelresistente GGO-aardappel die in 2011 en 2012 getest werd in Wetteren en een heuse aardappeloorlog uitlokte, is hiervan een voorbeeld. Door ziekteresistentiegenen van wilde aardappelsoorten in te bouwen in het DNA van onze moderne aardappelen kan het gebruik van schimmelwerende producten met 80% dalen. Met de GGO-technologie kunnen gewassen ook een hogere nutritionele waarde krijgen. Zo is er de provitamine A-rijke gouden rijst die kan ingezet worden om vitamine A-tekorten bij Aziatische kinderen te voorkomen waardoor miljoenen kinderlevens gered kunnen worden. Maar ook allergieën (bv. nootallergie) en intoleranties (bv. glutenintolerantie) kunnen met behulp van GGO-technologie weggenomen worden door planten bepaalde producten niet meer te laten produceren.

Een logische volgende stap in plantenveredeling

Gewassen aanpassen aan onze behoeften is niet nieuw. En het is niet zo dat we met de GGO-technologie plots de stap maken van “natuurlijke planten” naar “laboratoriumplanten”. Al sinds het ontstaan van de landbouw heeft de mens planten naar zijn hand gezet. Denk alleen nog maar aan kolen. Alle kolen (van bloemkool en boerenkool over broccoli en spruitjes) zijn afkomstig van één wilde kool. De grote variatie die we nu kennen is er gekomen door kruisingen uit te voeren en te selecteren naar interessante eigenschappen. Zonder ingrijpen van de mens waren deze koolvarianten nooit ontstaan. In vergelijking met de klassieke veredelingstechnieken, is GGO-technologie meer precies, voorspelbaar en controleerbaar. Bovendien heeft GGO-technologie belangrijke voordelen. Eerst en vooral blijven de eigenschappen van het ras dezelfde. Een GGO-Bintje aardappel blijft een Bintje aardappel, alleen heeft de GGO-vorm een extra eigenschap. Met kruisen daarentegen mengt men vader- en moeder-DNA zo intens dat men een nieuwe variëteit bekomt. Een tweede groot voordeel is dat men eigenschappen kan uitwisselen tussen soorten. Het hoeft niet, maar het kan. Zo kan men bijvoorbeeld een gen uit paprika dat zorgt voor weerstand tegen een schimmel overbrengen naar tomaat. Met klassieke veredeling is dat niet mogelijk. Een tomatenplant kan niet gekruist worden met een paprikaplant. Zonder GGO-technologie zal een tomatenteler in veel gevallen genoodzaakt zijn om de tomaten op chemische manier te beschermen. Met GGO-technologie kan de bescherming uit paprika ingebouwd worden in tomaat waardoor deze op een ecologische en natuurlijke manier geteeld kan worden.

Veiligheid van GGO-gewassen

Wanneer men spreekt over GGO’s zijn twee aspecten zeer belangrijk: enerzijds de GGO-technologie op zich, m.a.w. het inbouwen van een DNA-fragment in het DNA van een plant en anderzijds de toepassing, m.a.w. welke genetische informatie is toegevoegd aan het gewas. Iedere veredelingstechniek inclusief kruisen veroorzaakt herschikkingen in het DNA. Uit ervaring weten we dat deze herschikkingen op zich geen gevaar inhouden. Er zullen echter altijd mensen zijn – zelfs vanuit de wetenschappelijke sector – die beweren dat de GGO-technologie op zich gevaren voor de volksgezondheid met zich meebrengt, net zoals er wetenschappers zijn die de opwarming van de aarde ontkennen of die de bewezen effectiviteit van vaccinaties naast zich neerleggen. Maar er is een grote wetenschappelijke consensus over de veiligheid van de GGO-technologie en er is geen enkel wetenschappelijk argument om aan te nemen dat de GGO-technologie gevaarlijker zou zijn dan andere veelgebruikte methoden.

Wat de toepassingen betreft moet de relevantie en de veiligheid telkens apart geëvalueerd worden. Alle GGO-planten moeten hiervoor een zeer streng goedkeuringsproces ondergaan bij officiële voedselveiligheidsagentschappen. Sinds de introductie van GGO-gewassen in 1996 is er geen enkel voedselveiligheidsprobleem gemeld. De wetenschappelijke feiten inzake voedselveiligheid zijn overweldigend. Honderden studies, strikte risicoanalyses, strenge toelatingsprocedures en continue opvolging tonen aan dat de huidig toegelaten GGO-gewassen minstens even veilig zijn als hun niet-GGO varianten.

Huidige GGO-toepassingen

Vandaag zijn er vier GGO-toepassingen op de markt: herbicide-tolerantie, insect-resistentie, virus-resistentie en droogte-tolerantie. Vele andere toepassingen die kunnen bijdragen aan een duurzame landbouw (bv. schimmelresistente GGO-aardappel) of die kunnen ingezet worden voor humanitaire doeleinden (bv. gouden rijst) zijn in ontwikkeling of wachten op teelttoelating.

Herbicide-tolerante planten doorstaan een sproeibeurt met herbiciden terwijl alle onkruiden in het veld hierdoor verwijderd worden. Dit kenmerk geeft vooral de landbouwer een groot voordeel omdat het zorgt voor een flexibel en eenvoudig onkruidbeheer. Herbicide-tolerantie stuit op veel kritiek omdat het herbicidegebruik in de landbouw ondersteunt. Het is echter geen “uitvinding” van de biotechsector. Al sinds 1970 probeert men via klassieke veredelingstechnieken planten tolerant te maken voor herbiciden die tegen een breed spectrum van onkruiden gebruikt kunnen worden en dit op vraag van de landbouwsector. In erosiegevoelige gebieden biedt herbicide-tolerantie overigens een indirect milieuvoordeel. Het laat immers een landbouw toe zonder ploegen. Hierdoor verbetert de bodemstructuur, is er minder bodemerosie maar wordt ook minder brandstof gebruikt en minder CO2 uitgestoten.

Insect-resistente gewassen kunnen zichzelf verdedigen tegen bepaalde insecten. Hierdoor kan het insecticidengebruik drastisch verlaagd worden wat een positief effect heeft op nuttige insecten en het milieu in het algemeen. Maar ook de boer profiteert. Hij moet immers minder bestrijdingsmiddelen aankopen. Mede daardoor heeft insect-resistente GGO-katoen gezorgd voor een stijging van de welvaart van de kleine boer in India en Burkina Faso.

Sinds enkele jaren zijn er ook GGO’s die resistent zijn tegen bepaalde plantenvirussen. Vooral de virus-resistente GGO-papaja is een succesverhaal. De GGO-papaja werd ontwikkeld door twee Amerikaanse universiteiten zonder inbreng van de industrie en heeft in 1998 de zwaar geteisterde papaja-industrie in Hawaii van de ondergang gered.

Sinds 2013 wordt in de Verenigde Staten ook GGO-mais geteeld die beter bestand is tegen periodes van droogte. In één jaar tijd vervijfvoudigde het areaal van deze droogte-tolerante maïs van 50.000 ha tot 275.000 hectare. Dit geeft aan dat landbouwers wel degelijk de nieuwe GGO-gewassen appreciëren.

Europa: van hero tot zero

In 2014 werd er wereldwijd 181,5 miljoen hectare aan GGO-gewassen op commerciële wijze geteeld. Dit komt overeen met vijf keer het oppervlakte van Duitsland en met 12% van het landbouwareaal dat gebruikt wordt voor eenjarige gewassen zoals maïs en tarwe. In totaal zijn er 18 miljoen landbouwers in 28 landen die GGO-gewassen telen. De Verenigde Staten, Brazilië en Argentinië zijn de belangrijkste producenten van GGO-gewassen gevolgd door India, Canada en China. Maar er zijn steeds meer ontwikkelingslanden die starten met de teelt van GGO-gewassen. Dit is niet onverwacht want door het gebrek aan middelen (bemesting, pesticiden) in ontwikkelingslanden is het net daar dat GGO-gewassen hun potentieel het best kunnen tonen. In Afrika, telen Burkina Faso, Soedan en Zuid-Afrika GGO-gewassen op commerciële wijze. Wereldwijd blijven soja, katoen, maïs en koolzaad de vier belangrijkste GGO-gewassen.

Ondanks de pioniersrol van België in de ontwikkeling van de GGO-technologie wordt in Europa slechts één GGO-gewas geteeld. Deze insect-resistente GGO-mais wordt vooral in Spanje geteeld en in mindere mate in Portugal, Tsjechië, Slovakije en Roemenië. Het Europese areaal bedraagt 140.000 hectare, dat is slechts 0.08% van het wereldwijde GGO-areaal. Onder de Spaanse maïstelers is de GGO-maïs echter populairder dan ooit: meer dan 30% van de in Spanje geteelde maïs is GGO-maïs. De maïs heeft genetische informatie gekregen van de bacterie Bacillus thuringiensis (daardoor ook Bt-maïs genoemd) waardoor het beschermd is tegen vraat van de Europese stengelboorder, een belangrijke belager van de Zuid-Europese maïsteelt. De milieu-impact van de GGO-maïsteelt in Spanje over de periode van 1998 tot 2013 ligt 20% lager dan die van niet-GGO-maïs. Bovendien is het insect-resistente GGO-kenmerk ingekruist in meer dan 60 verschillende maïsrassen die door meer dan tien zaadbedrijven aangeboden worden op de Europese markt. GGO-gewassen moeten dus niet leiden tot een verschraling van de gewasdiversiteit, een vaak gehoorde kritiek.

In tegenstelling tot de beperkte Europese teelt van slechts één GGO-gewas, zijn er 66 GGO-dossiers toegelaten in de EU voor gebruik in voeding en veevoeder. Europa is volledig afhankelijk van import van GGO-soja en -maïs voor de productie van veevoeder. Jaarlijks wordt er meer dan 40 miljoen ton GGO-gewassen geïmporteerd maar door de negatieve perceptie in Europa en door de vele demonstraties tegen GGO-gewassen wordt de Europese boeren de mogelijkheid ontnomen om de GGO-technologie zelf te gebruiken in het veld. Europa heeft de technologie ontwikkeld maar gebruikt het zelf niet. Het maakt onze landbouwers minder competitief ten opzichte van de internationale concurrentie en we missen bovendien de kans om met de GGO-technologie een meer duurzame landbouw na te streven.

Multinationals en patenten

Net zoals onderzoek en ontwikkeling in de farmaceutische industrie is ook plantenbiotechnologisch onderzoek een werk van lange adem en van veel investeringen. De ontwikkeling en toelatingsprocedure van GGO-gewassen kosten handen vol geld. De eerste generatie GGO-gewassen kon dan ook enkel op de markt gebracht worden door kapitaalkrachtige bedrijven. Deze multinationals liggen de laatste tijd zwaar onder vuur. Multinationals zijn echter eigen aan iedere hoogtechnologische en kapitaalintensieve sector en een samenleving heeft deze bedrijven nodig om tot innovatieve producten te komen. Het beeld ‘GGO’s en multinationals’ is echter veel genuanceerder dan de publieke opinie laat uitschijnen. Enerzijds wordt de publieke sector steeds actiever in het ontwikkelen van GGO-gewassen onafhankelijk van de industrie. Zo is de virus-resistente papaja een product van twee Amerikaanse universiteiten zonder inmenging van een bedrijf. Anderzijds is de concentratie binnen de zaadsector een economische realiteit die losstaat van een bepaalde veredelingstechniek. Zelfs mochten GGO’s wereldwijd gebannen worden, zou de macht van de leidinggevende zaadbedrijven even groot blijven.

GGO-gewassen die op de markt komen, worden vaak beschermd door octrooien. Octrooien geven een bedrijf de mogelijkheid om hun ontwikkeling te beschermen. Zolang de bescherming van het octrooi loopt (20 jaar) en enkel in die landen waar octrooi is goedgekeurd, is het bedrijf verzekerd dat geen enkel ander bedrijf het product namaakt en op de markt brengt zonder hun goedkeuring. Hoe commercieel dit ook lijkt op het eerste zicht, financiële bescherming van nieuw ontwikkelde producten blijft de drijfveer voor innovatie. Octrooien zijn niet specifiek voor de plantenbiotech-industrie en GGO’s kunnen zeker niet aansprakelijk gesteld worden voor het bestaan van octrooien. Ook niet-GGO-gewassen worden geoctrooieerd of worden beschermd met andere intellectuele eigendomsrechten zoals kwekersrecht. Desalniettemin blijft het nemen van intellectuele eigendom op nieuw ontwikkelde voedingsgewassen een moeilijke discussie. En ook hier moet een goed evenwicht gevonden worden: bedrijven moeten gestimuleerd (en dus beloond) worden om nieuwe investeringen te doen maar het recht op voeding mag in geen enkel geval in het geding komen.

Besluit

Landbouw is een complex gegeven en de GGO-technologie is geen mirakeloplossing. Enkel een geïntegreerd landbouwmodel kan zowel de voedselkwaliteit en -kwantiteit te verhogen en de druk van de landbouw op het leefmilieu verkleinen. Dit houdt in dat het beste uit de conventionele landbouw gecombineerd wordt met de beste ecologische inzichten uit de biologische landbouw maar met de toepassing van de allernieuwste technologieën. De problemen zijn te groot om één technologie – zoals het doelgericht genetisch aanpassen van gewassen via de ggo-technologie – te verheerlijken of zomaar uit te sluiten. We mogen als maatschappij het kind niet met het badwater weggooien.

 

 Wim GRUNEWALD is coauteur van bovenstaand boek

 

     Keer terug naar Onze domeinen.             

 

 

Domein: 
Cultuur en Wetenschap
Auteur: 
Wim GRUNEWALD
Uitgave PLU.IM Magazine: 
September 2015