Routine bloedonderzoek

 

Dr. Marc De Kegel

Het is de laatste decennia courant geworden om op regelmatige tijdstippen , meestal jaarlijks, vanaf de leeftijd van 45-50 jaar een bloedanalyse te laten uitvoeren .

Dit heeft dan de bedoeling een soort risicoanalyse te bepalen .

Overdrijf niet met routine-onderzoeken: laat uw arts enkel een bloedanalyse uitvoeren wanneer er aanleiding voor is. Wanneer u gezond bent en geen klachten of specifieke symptomen hebt, zijn routinebloedonderzoeken doorgaans onnodig.

Voor 65-plussers is een jaarlijks bloedonderzoek wél aangewezen, vanwege het verhoogde risico op diabetes. Personen ouder dan 50 jaar laten best hun bloed testen op hun cholesterolwaarden. Dit is namelijk een indicator voor hart- en vaatziekten, naast vele andere risicofactoren zoals roken bloeddruk, enz. De verdere follow-up hangt af van uw risicoprofiel.

Van artsen wordt verwacht dat zij laboratoriumdiagnostiek zo veel mogelijk probleemgeoriënteerd aanvragen. Het volume van de aanvragen bij een algemeen bloedonderzoek moet om economische redenen zo veel mogelijk beperkt blijven maar toch voldoende relevant zijn om ziektebeelden te ontdekken of te voorkomen.

Daar het bloedstaal enkele dagen in het labo wordt opgeslagen kunnen bijkomende analyses indien nodig nadien nog steeds aangevraagd en uitgevoerd worden.

Het is niet mijn bedoeling de bloedanalyses in het detail wetenschappelijk te bespreken maar wel u grosso modo wegwijs te maken in de gebruikte testen en termen, en interpretatie van eventuele afwijkende waarden.

Het blijft natuurlijk steeds aangeraden en nodig de uitslagen van de bloedanalyse te bespreken met de aanvragende arts.

De referentiewaarden die hier worden vermeld kunnen soms licht verschillen van labo tot labo.

Hier volgt een lijst van de meest  courante aangevraagde testen :

Bezinking (sedimentatie) (1-20 mm)

Is een belangrijk bloedonderzoek, dat een indruk geeft van de eventuele aanwezigheid van een ziekteproces of van de ernst van een bepaalde aandoening.

Is een alarmsignaal. Geeft geen aanwijzing over de oorzaak.

Hemoglobine (13.7 – 17.5 g/dl)

Is nodig voor transport van zuurstof.

Te laag = bloedarmoede. Er zijn 3 voorname oorzaken van bloedarmoede: de verminderde productie van bloedcellen, de verhoogde afbraak van bloedcellen of bloedverlies. Meestal is bloedarmoede te wijten aan ijzertekort. Wanneer een hemoglobinetest een tekort aan het licht brengt, zijn verdere tests nodig om de precieze aard en oorzaak van de bloedarmoede te specifiëren, zoals de bepaling van ijzer, aantal bloedcellen, enz.

Hematocriet (39 – 49 %)

Hoeveelheid rode bloedcellen per liter bloed.

Te weinig = bloedarmoede

Te veel : hoogtetraining, epo-gebruik. verhoogde dreiging vasculair accident (bv. een hartinfarct, een beroerte)

Rode bloedcellen (4.1 – 5.7 10^6 / mm3)

Te weinig = bloedarmoede door bloedverlies, slechte aanmaak in beenmerg, vit B12- of foliumtekort enz.

Te veel  = chronische hart-of longziekte, mensen die op grote hoogte wonen , polycythemia vera (een soort van kanker van het bloed)

Witte bloedcellen (4.2 – 9.1 10^3/mm3)

Spelen een rol in onze immuniteit en beschermen ons tegen infectie.

Er bestaan verschillende soorten.

Het percentage van die verschillende soorten kan variëren door infectie, allergie of andere aandoeningen.

Te veel = een op gang zijnde gevecht in ons lichaam tegen indringers : bv. infectie.

Te weinig = chemotherapie, beenmergziekten enz.

Trombocyten of bloedplaatjes 1(40.440 10^3/mm3)

Spelen een belangrijke rol in de bloedstolling

Te weinig kan in- of uitwendige bloedingen veroorzaken

CRP (C-reactief proteïne) < 5.00 mg/L

Het gehalte in het bloed is een belangrijke aanwijzing voor de aanwezigheid van een ontstekings- of ander ziekteproces.

Samen met de bloedbezinking kan men de evolutie van ontstekingsprocessen hiermee volgen.

Glucose  (82 – 115 mg/dl)

Nuchter te veel = suikerziekte

Suiker in bloed is afhankelijk van de maaltijd.

Na de maaltijd moet de waarde nog altijd < 150 mg/dl zijn.

Hemoglobine A1c  < 7%

Dit is de beste parameter om diabetes op te volgen.

Deze test geeft de gemiddelde glucosewaarde over een langere periode weer.

Ureum (15  - 45  mg/dl)

Te hoog : verminderde nierfunctie

Creatinine  ( 0.5 – 0.9 mg/dl)

Te hoog : verminderde nierfunctie

Urinezuur (2.4 – 5.7 mg/dl)

Te hoog door verhoogde aanmaak : jicht

Te hoog kan ook door verminderde uitscheiding ten gevolge van nierinsufficiëntie, dit betekent dat de nieren niet meer goed werken.

Bilirubine totaal ( 0.1 – 1.2 mg/dl)

Te hoog : leverstoornis of galobstructie (een verstopping van de galwegen door bv. galstenen)

Verhoogd bilirubinegehalte veroorzaakt geelzucht.

SGOT(AST) (5 – 3  U/L)

Te hoog : levercelnecrose (afsterven van levercellen), hartinfarct, spiercelnecrose (afsterven van spiercellen)

SGPT(ALT) (5 – 36 U/L)

Te hoog :

levercelnecrose (afsterven van levercellen), hartinfarct, spiercelnecrose (afsterven van spiercellen)

Verhouding SGOT / SGPT kan bijkomende informatie over diagnose opleveren.

Gamma-GT (5 – 36 U/L)

Te hoog : (chronisch) alcoholmisbruik

Alkalische fosfatase ( 35 – 105 U/L)

Gestegen bij lever- of botaandoening

Door middel van elektroforese, dat is een speciale labotechniek, kan bijkomende informatie bekomen worden.

LDH (211 – 423 U/L)

Te hoog : hartinfarct, hartfalen, leveraandoening, spiercelnecrose (afsterven van spiercellen) enz.

Afhankelijk van klinische context, dus van de symptomen waarmee de patiënt zich presenteert en de bevindingen van de arts bij het onderzoeken van de patiënt.

Door middel van elektroforese, dat is een speciale labotechniek, kan bijkomende informatie worden bekomen.

Amylase (0 – 100 U/L)

Te hoog: mogelijks pancreasaandoening of aandoening speekselklieren (bv. bof)

Natrium ( 135.- 145 mmol/l)

Te hoog door dehydratatie (uitdroging) en soms door medicatie (corticoïden)

Te laag door braken of diarree

Kalium (3.5 – 5.1 mmol/l)

Te hoog door dehydratatie (uitdroging), verminderde nierfunctie en medicatie (spironolactone, triamterene: dat is een bepaald type vochtafdrijvers)

Te laag  door braken, diarree en medicatie (vochtafdrijvers en laxeermiddelen)

Calcium ( 8.6 – 10.2 mmol/dl)

Te hoog door tumoren, uitzaaiingen in het bot, ziekten van de bijschildklier en schildklier enz.

Te laag door medicatie als corticoïden, vochtafdrijvers en epilepsie. Calcium is ook verlaagd wanneer het albumine gehalte te laag is. Dit wordt dikwijls miskend in de geneeskunde. Te laag albumine komt frequent voor bij uitgebreide decubitus, brandwonden, maligniteiten en …. malnutritie (o.a. WZC)!!

Fe : ijzer (30 –190 mcg/dl)

Te laag : bloedverlies of verminderde absorptie (opname van ijzer uit de voeding)

Te hoog : niet nuchtere bloedafname, hemochromatose (opstapelingsziekte)

Transferrine (200 – 360 mg/dl)

Te hoog : bij ijzertekort stijgt het Transferrine

Te laag bij sommige ziektes

Ferritine ( 15 – 150 mg/ml)

Het ijzer en Ferritine samen geven een idee over de totale hoeveelheid ijzer in het lichaam.

Te hoog : chronische infectie, kanker, sommige vormen van anemie (bloedarmoede) enz.

Cholesterol totaal ( 130 – 240 mg/dl)

Te hoog : gevaar voor aderverkalking. Cholesterol is slechts één van de vele risicofactoren, naast rookgedrag, diabetes, overgewicht, enz.

Komt door erfelijk verhoogde aanmaak of door verhoogde inname van vetten

HDL cholesterol (45 – 65 mg/dl)

Hoe hoger  = hoe beter

LDL cholesterol ( 66 – 178 mg/dl)

Hoe lager =  hoe beter

Cholesterol/HDL ( 0.0 – 4.4 mg/dl)

Samen met de leeftijd wordt een soort risicoschatting gedaan

Hoe lager =  hoe beter.

Triglyceriden ( 0 – 200 mg/dl)

Vetten in bloed. Hoe lager = hoe beter.

TSH (thyreoide stimulerend hormoon) (0.2 – 4.0 mgIU/L)

Zeer belangrijke test voor de werking van de schildklier; te controleren bij iemand die symptomen heeft die kunnen wijzen op schildklierproblemen.

Te hoog = te lage werking van de schildklier

Te laag = een verhoogde werking van de schildklier

Kan bij afwijking aangevuld worden met supplementaire schildkliertesten.

PSA (Prostaat specifiek antigeen) (<4.00 mcg/L)

Stijgt met de leeftijd

Te hoog kan duiden op prostaatontsteking of prostaatkanker.

Verder onderzoek is dan aangewezen.

 

Moeilijke termen

Wij besparen u de uitleg bij sommige termen en/of bij de referentiewaarden.

Het belangrijkste voor u zijn de aangegeven marges. Toch dit :

  • 10^3 = 1.000
  • 10^6 = 1.000.000
  • U = units
  • HDL = high density (goede) cholesterol
  • LDL = low density (slechte) cholesterol

 

Keer terug naar Onze domeinen.         

 

 

Domein: 
Gezondheidweetjes
Auteur: 
Dr. Marc DE KEGEL
Uitgave PLU.IM Magazine: 
September 2016