Alzo sprak de rechter

m.m.v. France Kowalsky

Sommige rechterlijke uitspraken lijken volkomen logisch, andere lijken op het eerste gezicht bizar. Maar de gevoerde argumentatie is altijd leerrijk. Wij willen u een paar vonnissen niet ontzeggen.

Schade bij carwash

Mevrouw H. rijdt op 24/3/2010 met haar auto in de carwash van B. Na afloop is de voorruit volledig verbrijzeld en er zit een deuk in de motorkap. De politie komt ter plaatse en er wordt een proces-verbaal opgesteld. De schade wordt op € 2 735,75 begroot. Volgens mevrouw H. is de schade veroorzaakt doordat de auto op het einde van de automatische wasstraat in contact is gekomen met de automatische droger die niet omhoog wilde gaan. B. van zijn kant beweert dat de fout bij mevrouw H. ligt: zij zou gas hebben gegeven. De partijen komen er niet uit en de zaak wordt aan de rechtbank voorgelegd. De rechter oordeelt dat iemand die met zijn voertuig naar een carwash gaat, terecht mag verwachten dat het voertuig er onbeschadigd uit komt.

Bij een geautomatiseerd wasstation heeft de bestuurder alleen een passieve rol, hij geeft de controle over het voertuig aan de uitbater van de carwash. Het risico van zijn auto op een automatische wasstraat te plaatsen is zeer beperkt, zodat men mag verwachten dat de auto er intact uit komt. Dat geldt zelfs al heeft de uitbater niet volledig het meesterschap over de prestatie: de bestuurder blijft een zekere rol spelen doordat hij ondertussen aan het stuur van de auto zit, maar dat blijft al bij al erg passief. De rechter gaat ervan uit dat de uitbater van de carwash een resultaatsverbintenis heeft. Het volstaat dus dat de klant bewijst dat het resultaat niet werd bereikt om de contractuele aansprakelijkheid van de uitbater aan te tonen. De uitbater kan daar slechts aan ontkomen als hij bewijst dat de schade aan een externe oorzaak te wijten is, zoals de fout van de klant. De bewering dat mevrouw H. gas zou hebben gegeven, volstaat voor de rechter niet als bewijs en daarom wordt B. ertoe veroordeeld de schade aan mevrouw H. te vergoeden. ■ rechtbank van eerste aanleg Dendermonde, 22/3/2013, in: Revue Générale des Assurances et Responsabilités, 2014, blz. 15097

Verloving verbroken

Mijnheer D. en mevrouw E. kennen elkaar een paar weken wanneer ze besluiten te trouwen. Maar het huwelijk gaat niet door. Volgens D. geeft hem dat het recht om de € 2 500 die hij beweert aan E. te hebben gegeven, terug te vragen, samen met een computerscherm dat hij zegt bij haar te hebben achtergelaten tegen dat ze zouden samenwonen. Hij eist ook € 1 410 als schadevergoeding voor de verbreking van de verloving.

 

Hij legt twee e-mails voor om aan te tonen dat hij die € 2 500 aan haar had gegeven. E. erkent daarin die som te hebben ontvangen en verbindt zich ertoe om ze af te betalen a rato van € 100 per maand. Maar E. beweert die mails nooit te hebben geschreven. Ze legt uit dat het heel makkelijk is om een vals e-mailadres aan te maken met iemand anders naam en zichzelf dan een mail te sturen die als het ware van die bewuste persoon uitgaat. De rechter volgt die redenering, hij is van oordeel dat er geen 100 % zekerheid is met internetcommunicatie. Als bewijs voor het feit dat E. een computerscherm heeft dat van hem is, toont D. een summiere aankoopnota van het cybercafé dat hij zelf openhoudt. Niet overtuigend, aldus de rechter, er blijkt nergens uit dat op E. de verplichting rustte om het scherm terug te geven aan D. Wat tot slot de eis tot € 1 410 schadevergoeding betreft, meent de rechter dat niets erop wijst dat E. een fout heeft begaan in de vrijheid die men heeft om te trouwen of niet, of daar misbruik van heeft gemaakt. Men kan haar niet verwijten dat de verloving is afgebroken, aangezien zij een punt heeft gezet achter de trouwplannen toen D. weigerde om te gaan samenwonen en toen zij ontdekte dat de ware reden van haar verloofde om met haar te trouwen was dat hij in België wilde worden geregulariseerd. D. slaagde er dus niet in te bewijzen dat hij E. € 2 500 had gegeven voor hun huwelijk, noch dat hij het computerscherm bij haar had achtergelaten met het oog op hun samenleven, noch dat E. een fout had begaan door hun verloving te verbreken. Daarom keerde hij van een kale kermis thuis en moest hij ook nog eens de procedurekosten betalen en een rechtsplegingsvergoeding (€ 650). ■ hof van beroep van Brussel, 24/8/2010, in: Tijdschrift voor Belgisch Burgerlijk Recht, 2014, blz. 235

Diefstal niet verzekerd

Op 23 januari wordt ingebroken bij M. De nacht daarop wordt zijn Mercedes van voor de deur gestolen, en op 25 januari wordt de auto uitgebrand teruggevonden. Diezelfde dag bezorgt M. aan de politie de gedetailleerde lijst van voorwerpen die bij de inbraak in het huis werden gestolen: juwelen, een bril en de reservesleutel van de auto. De auto was full omnium verzekerd. Daardoor hoopt M. te worden vergoed voor de diefstal en de vernieling van zijn Mercedes. Maar tot zijn verbazing verneemt hij op 17 maart van zijn verzekeraar dat hij niet zal worden vergoed. Het contract bepaalt immers dat de maatschappij dekking biedt voor het verzekerde voertuig in geval van diefstal met inbraak (met inbegrip van homejacking) of met lichamelijke bedreigingen (met inbegrip van carjacking). Wat ook verzekerd is, is de diefstal van de sleutels van de auto en de vervanging van de sloten zodra blijkt dat de verzekeringsnemer geen enkele nalatigheid kan worden verweten. Maar volgens de verzekeraar is er geen sprake van homejacking (inbraak in een huis en diefstal van de autosleutels, meteen gevolgd door diefstal van de auto) aangezien de sleutels op 23 januari werden gestolen en de auto pas op 25 januari. Een diefstal van de auto zonder inbraak, mét de sleutels, is niet gedekt. M. vindt dat een onrechtmatig beding want het holt de dekking uit. Maar de rechter ziet het anders. Het feit dat het contract bijzondere voorwaarden voorschrijft in het geval de sleutels werden gestolen, is te rechtvaardigen doordat de verzekeraar de vervanging van de sloten voor zijn rekening neemt. M. heeft dat echter niet gevraagd. Hij heeft zijn auto zelfs gewoon buiten voor zijn huis laten staan. Daarom is de rechter van oordeel dat de verzekeraar alle reden had om de vergoeding te weigeren. ■ hof van beroep van Bergen, 16/9/2013, in: Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles, 2014, blz. 2015

Verkoop van huis en commissie

De C.’s geven aan makelaarskantoor I. de opdracht om hun huis te verkopen. Het contract bepaalt een commissie van 3,63 % (btw op de verkoopprijs incluis), met een minimum van € 4 000. Die commissie zal definitief verworven zijn op het ogenblik dat een onderlinge verkoopovereenkomst wordt ondertekend of dat er een geldig schriftelijk koopbod is. Als een voorschot wordt gestort, mag de makelaar daar zijn commissie van aftrekken. Vijf maanden later tekent mevrouw K. een verkoopovereenkomst in het kantoor van de makelaar en ze betaalt hem € 10 000 voorschot. Maar op de dag dat de notariële akte zou worden getekend, komt ze niet opdagen. De C.’s stellen haar in gebreke en eisen dat ze haar verplichtingen nakomt. Tevergeefs. Ze stellen ook makelaarskantoor I. in gebreke en eisen het voorschot van € 10 000 terug. Maar I. weigert: het heeft zijn commissie daar al op ingehouden (€ 4 900) en heeft de rest aan de notaris bezorgd. De C.’s dagen daarop K. voor de rechtbank. Ze winnen de zaak en de verkoop wordt ontbonden in het nadeel van K. De rechter voegt eraan toe dat de C.’s het voorschot mogen houden dat K. had betaald. En toch gaan ze in beroep. De rechter heeft het makelaarskantoor er immers niet toe verplicht om hen de commissie terug te geven. Het hof van beroep is van oordeel dat de commissie wel degelijk verschuldigd is en dat er geen reden is om de makelaar te verplichten dat geld aan de C.’s te geven. De verkoopovereenkomst bepaalde dat het voorschot bij wijze van schadevergoeding rechtmatig aan de verkoper toekwam indien de notariële akte door de fout van de koper niet kon worden verleden. De eerste rechter heeft in die zin beslist. Maar die beslissing heeft niet tot gevolg dat het makelaarskantoor verplicht is om het deel van het voorschot dat als commissie diende, terug te geven. Voor het hof is de verkoop terdege afgerond met K.’s handtekening op de onderhandse verkoopovereenkomst, ook al vindt de eigendomsoverdracht pas later plaats, bij het verlijden van de notariële akte. Er was geen opschortende voorwaarde. Een makelaarsopdracht heeft alleen tot doel een kandidaat-koper te zoeken en te komen tot de ondertekening van een verkoopovereenkomst. Dat is gebeurd, opdracht volbracht dus. Daarom trekken de C.’s aan het kortste eind bij de rechter in beroep. ■ hof van beroep van Luik, 3/2/2014, in: Journal des Tribunaux, 2014, blz. 285

Snelheidsovertreding

Mevrouw P. wordt op 19/3/2011 betrapt op overdreven snelheid. Zelf vindt ze dat er sprake is van overmacht, omdat ze op het ogenblik van de vaststelling op weg was naar het ziekenhuis met haar hoogzwangere dochter, die weeën had. Ze dacht dat zij zou gaan bevallen, hetgeen uiteindelijk de dag nadien gebeurde. Ze beroept zich op artikel 71 van het Strafwetboek, dat bepaalt dat er geen sprake is van een misdrijf wanneer de beschuldigde "gedwongen werd door een macht die hij niet heeft kunnen weerstaan". In eerste aanleg oordeelt de politierechtbank van Charleroi dat in dit geval niet wordt bewezen dat er effectief sprake was van een noodtoestand. Mevrouw P. wordt veroordeeld tot een geldboete van € 275 met opschorting voor de helft gedurende een jaar, een rijverbod van acht dagen en een bijdrage van € 150 aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Mevrouw P. tekent beroep aan. De correctionele rechtbank oordeelt dat zij in de gegeven omstandigheden kon vrezen dat indien ze de snelheidsregels niet overtrad, de gezondheid van haar dochter en het ongeboren kind in gevaar zou komen. Volgens de correctionele rechtbank is er dus wel een rechtvaardigingsgrond en mevrouw P. wordt in beroep dan ook vrijgesproken. Dit vonnis is een mooi voorbeeld van hoe dezelfde feiten door verschillende rechters anders kunnen worden beoordeeld. ■ correctionele rechtbank van Charleroi, 25/2/2013, in: Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles, 2014, blz. 110

Slecht wegdek

Tijdens een wieleruitstap in de gemeente S.-L.-H. komt een deel van de groep fietsers ten val op een smalle landweg. Mijnheer C. en mijnheer G. fietsen vooraan, en worden op een geasfalteerd weggetje in een bocht plots geconfronteerd met kiezelsteentjes, waardoor zij de controle over het stuur verliezen en ten val komen. Mijnheer G. valt als eerste, gevolgd door mijnheer C. en nog een derde fietser. Mijnheer C. besluit een procedure te starten tegen mijnheer G., die als eerste ten val kwam, en tegen de gemeente S.-L.-H. Hij eist een vergoeding van alle materiële en morele schade, geraamd op € 2 828, plus de intresten en de gerechtskosten. Mijnheer G. betwist de vordering en start zelf een vordering tegen de betrokken gemeente. Hij vraagt een schadevergoeding van € 3 858 wegens beschadiging van zijn fiets, plus de intresten, gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding. De eerste rechter veroordeelt de gemeente tot betaling van respectievelijk € 2 794 en € 3 858 aan mijnheer C. en mijnheer G., plus intresten en gerechtskosten. De gemeente zegt niet aansprakelijk te zijn voor de valpartij en gaat in beroep tegen het vonnis. Zij argumenteert dat kiezelstenen geen ongewoon beeld zijn in een landelijk kader en dat deze duidelijk zichtbaar waren vanop de weg. Mijnheer G. had een ongehinderd zicht op de baan en zou tegen een onaangepaste snelheid hebben gereden, terwijl mijnheer C. niet genoeg afstand zou hebben gehouden van zijn voorligger. De gemeente stelt dat er geen gebrek kan worden vastgesteld aan de weg (de politieagenten ter plaatse na het ongeval hebben geen abnormaliteit vastgesteld) en dat "iedere aandachtige en voorzichtige fietser, ook een wielertoerist, dergelijke voorzienbare hindernis moet kunnen vermijden en zijn rijstijl hieraan aanpassen". De kiezels zouden simpelweg afkomstig zijn van de berm, daar gebracht door landbouwverkeer, duidelijk zichtbaar zijn geweest en dus geen veiligheidsgevaar vormen voor weggebruikers. De rechtbank beslist daar echter anders over. Op foto's is immers te zien dat de kiezelstenen zich over de hele baan bevinden en dan nog vooral aan de rechterzijde, en dat het wegdek in slechte staat is: de zijbermen brokkelen af, en het asfalt zelf vertoont scheuren en putten. Vóór de bocht zijn bovendien geen kiezelstenen te zien, waardoor de rechter kan aannemen dat de fietsers hierdoor verrast waren, ondanks de zichtbaarheid ter plaatse bij klaarlichte dag. De rechtbank stelt dan ook dat de weg wel degelijk gebrekkig was. Er kan bovendien niet worden bewezen dat de fietsers onvoorzichtig of te snel hebben gereden. De wielertoeristen namen deel aan een gewone fietstocht (geen wedstrijd), volgden de verkeersregels (ze reden achter elkaar) en dus kan er geen sprake zijn van risicoaanvaarding. De rechtbank gaat dan ook akkoord met het vonnis van de eerste rechter en veroordeelt de gemeente S.-L.-H. voor slecht onderhoud van het wegdek. Dat het om een landelijke weg gaat, betekent immers niet dat de weg in slechte staat mag zijn en dat de aanwezigheid van zo'n hoeveelheid losse kiezelstenen op de baan aanvaardbaar is. De geasfalteerde weg is voor het verkeer ingericht en dient dus volgens de normale criteria veilig te zijn voor elk type weggebruiker, zij het een landbouwvoertuig of een fietser. De gemeente wordt exclusief aansprakelijk gesteld voor het ongeval en de opgelopen schade van beide wielertoeristen. ■ rechtbank van eerste aanleg van Oudenaarde, 18/12/2013, in: Tijdschrift van de Vrede- en Politierechters, 2014, blz. 139

Vallende takken

Mevrouw K. parkeert haar wagen op een betalend parkeerterrein van de stad Brugge. Dat terrein wordt afgezoomd door bomen. Wanneer ze haar wagen ophaalt, stelt K. vast dat er dode takken op haar voertuig zijn gevallen. Het linkerachterlicht is gebarsten en het koetswerk vertoont tal van krassen. Volgens Mevrouw K. is de stad Brugge aansprakelijk, zowel voor de bomen, die eigendom zijn van de stad, als voor het betalend parkeerterrein, dat ter beschikking wordt gesteld van het publiek en dat, wegens die bomen, behept is met een gebrek. De stad Brugge gaat niet akkoord en vindt dat haar niets te verwijten valt: volgens haar zijn de bomen die onder haar verantwoordelijkheid vallen, goed onderhouden omdat de dode takken elk jaar worden weggesnoeid. De rechter volgt die argumentatie niet. Hij stipt aan dat er op de dag van het voorval windstoten waren van 60 tot 65 km/uur, wat niet uitzonderlijk is. Toch volstonden die niet-uitzonderlijke windstoten blijkbaar om takken af te rukken. En die zijn niet alleen op het voertuig van mevrouw K. beland maar ook overal in de straat naast het parkeerterrein. De politie heeft die straat zelfs moeten afsluiten om de stadsdiensten de kans te geven de straat weer vrij te maken. Volgens de rechter kon dit enkel gebeuren omdat de bomen niet in orde waren, iets wat onder de aansprakelijkheid van de stad valt. De stad Brugge is trouwens ook aansprakelijk omdat ze het publiek liet parkeren op een betalend parkeerterrein waar de voertuigen risico liepen op beschadiging. De rechter veroordeelt de stad tot betaling van de schade aan de wagen van mevrouw K. Die wordt geraamd op € 1 284. ■ vredegerecht van Brugge, 3/5/2012, in: Rechtskundig Weekblad, 2013-14, blz. 952

Keer terug naar Onze domeinen.             

 

Domein: 
Gerecht en justitie
Auteur: 
France KOWALSKY
Uitgave PLU.IM Magazine: 
Maart 2015