Goede raad

m.m.v F. KOWALSKY

 

Over een aantal deeldomeinen hebben wij enkele rechterlijke uitspraken geselecteerd, alsook een paar raadgevingen gesprokkeld afkomstig van een juristenteam.

Nalatenschap

Omstreden testament

Naar aanleiding van het testament van mevrouw A. ontstaat er een conflict tussen haar wettelijke erfgenamen (haar drie kleinkinderen) en mijnheer D., hun grootvader en de ex van A. 

A. en D. zijn in 1984 gescheiden. Ze hadden één zoon, op zijn beurt vader van drie kinderen maar inmiddels overleden. Toen mevrouw A. te horen kreeg dat ze aan een ongeneeslijke kanker leed, maakte ze zich zorgen over haar nalatenschap. Aangezien haar zoon overleden was, kwam haar erfenis toe aan haar drie kleinkinderen. Ze vond deze evenwel nog te jong om zo’n erfenis te ontvangen en besloot dus een testament te maken. Haar notaris kwam naar het ziekenhuis en schreef in het bijzijn van twee getuigen het testament neer dat A. hem dicteerde. A. overleed 12 dagen later. D., de ex van A., krijgt het vruchtgebruik van haar volledige nalatenschap gedurende 10 jaar. A. laat D. ook € 25 000 na. En ze vermaakt € 15 000 aan een vriendin die haar heeft

geholpen toen ze alleen was, en € 20 000 aan de levensgezellin van haar ex omdat die zo behulpzaam is geweest. De rest van de nalatenschap (= de blote eigendom van al haar goederen min de bijzondere legaten) komt haar kleinkinderen toe. Als wettelijke erfgenamen wordt van hen verwacht dat zij aan de universele erfgenaam (hun grootvader) afgeven wat hem volgens het testament toekomt.

Maar de kleinkinderen weigeren die afgifte en betwisten het testament.

Een eerste rechter geeft de grootvader gelijk. De kleinkinderen gaan in beroep. Ze argumenteren dat het testament niet geldig is. Het werd vooraf opgesteld door de notaris en door hun grootmoeder, een terminale kankerpatiënte, ondertekend op haar sterfbed, zonder dat zij – zo klinkt het – het werkelijke belang van haar kleinkinderen in overweging nam. De rechter wijst erop dat een testament, wil het authentiek zijn, inderdaad moet worden gedicteerd door de erflater, maar dat er niets op tegen is dat die aan de notaris een ontwerp van testament voorleest dat het resultaat is van een eerder onderhoud tussen hemzelf en de notaris in diens hoedanigheid van adviseur. En hoewel A. ernstig ziek was, bewijst niets dat ze niet gezond van geest was toen ze haar testament dicteerde of dat ze onder druk zou hebben gehandeld. De twee aanwezige getuigen bevestigen dat ze bij haar volle verstand was en in alle vrijheid handelde. De rechter in beroep bevestigt dus het eerste vonnis dat de afgifte van het legaat aan de grootvader beveelt.

A. wist dat de dood nabij was. Haar enige zoon was al overleden en dus vroeg ze zich terecht af hoe haar jonge kleinkinderen met zo’n erfenis zouden omgaan en welke impact ze zou hebben. Vandaar haar legitieme en coherente beslissing om haar ex (tevens hun grootvader en een man in wie ze vertrouwen had) in het belang van die kleinkinderen het vruchtgebruik te geven, weliswaar voor slechts 10 jaar.

Hof van beroep van Bergen, 17/9/2013, in: Jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles, 2015, blz. 803
 

Bank

Herkomst bewijzen van grote storting

Ik heb zowat € 15 000 geërfd in Groot-Brittannië en werd daar op die som belast. Nu die som op mijn Belgische rekening werd gestort, moet ik mijn bank de herkomst van het geld bewijzen. Dat verontrust me. Riskeer ik door die aangifte niet om in België ook nog eens successierechten te moeten betalen op dat bedrag?

V. D., Brussel

B&R antwoordt

Neen, u kunt op uw twee oren slapen. De successierechten moeten worden betaald in het land waar de overledene zijn/haar laatste verblijfplaats had. Het land waar de erfgenaam of legataris woont, kan geen aanspraak maken op de erfbelasting op een som die in het buitenland werd nagelaten. Tenzij de nalatenschap vastgoed in België omvatte, dat is het enige geval waarin ook in ons land successierechten verschuldigd zouden zijn.

Het is volkomen normaal dat de bank naar de herkomst van dat geld vraagt. Ze is dat verplicht bij elke ongebruikelijke verrichting van een cliënt. De reden is evenwel niet fiscaal. De enige bedoeling is het witwassen van zwart geld of geld van criminele herkomst voorkomen. Bezorg uw bank dus een document waaruit blijkt dat het om een buitenlandse erfenis gaat. Er valt niets te vrezen.

Uit Budget & Recht nr. 245

Krediet

Verantwoording aub

In oktober 2005 wil mevrouw A. een salon kopen van € 1 000. Ze tekent daarvoor bij bank C. een contract voor een kredietopening voor een bedrag van € 4 000. Aan dat krediet is ook een Visakaart gelinkt. Zodra mevrouw A. aan haar limiet zit van de kredietkaart en niet meer genoeg heeft aan de kredietopening, keert ze naar de bank terug en vraagt een lening op afbetaling. Dat doet ze enkele keren en telkens kent de bank steeds grotere bedragen toe. Aan vier kredieten is ook een schuldsaldoverzekering gekoppeld; er moesten dus ook vier premies worden betaald, waarvan de laatste twee elk voor meer dan € 4 000. Op 10/1/2008 krijgt mevrouw A. voor de vijfde keer krediet, voor € 21 062. “Consolidatie kredieten” staat als doel vermeld. Dat krediet groepeert dus alle vorige nog openstaande kredieten in één lening. Daarna volgt nog een nieuwe kredietopening, met alweer een kredietkaart, dit keer van MasterCard.
 
Op die manier was mevrouw A. uiteindelijk grote bedragen verschuldigd aan intresten, schadevergoedingen en premies, maar zelf had ze nauwelijks geld in handen. Wat begon met een kredietopening van € 4 000, eindigde in een lening van meer dan € 29 000 en een schuld van € 37 323,42. Mevrouw A. kan de afbetaling niet aan en bank C. daagt haar voor de rechtbank. De rechter begint met in vraag te stellen of het eerste krediet van € 4 000 voor een aankoop van € 1 000 wel de meest geschikte kredietvorm was. Vervolgens merkt hij op dat de bank een nieuwe kredietopening met een MasterCard had toegestaan, terwijl ze al een krediet ter consolidatie had verleend (en mevrouw A. ook nog een Visakaart had).

Hij herinnert eraan dat de wet op het consumentenkrediet de geldschieter ertoe verplicht om de juiste informatie in te winnen om de financiële toestand van een kandidaat-kredietnemer te kunnen beoordelen en dat laatstgenoemde daar correct en volledig op moet antwoorden.

Diezelfde wet bepaalt verder dat een geldschieter alleen krediet mag verlenen als hij redelijkerwijze mag aannemen dat de betrokkene in staat zal zijn om het krediet terug te betalen.

De rechter stelt vast dat mevrouw A. op het ogenblik van de leningen een netto beschikbaar inkomen had tussen € 1 234 en € 1 529. Ze had dat correct aan de bank aangegeven. Ze was alleenstaand en huurde een woning. Bank C. duidde bij elke leningsaanvraag aan welke kredieten al liepen, iets wat ze maar al te goed wist aangezien ze die zelf had toegestaan. Zodoende was bank C. perfect op de hoogte van de financiële toestand van mevrouw A. en had ze de opeenvolgende kredieten, en zeker het laatste, niet mogen toestaan.

Daarom oordeelt de rechter dat het de bank zelf is die mevrouw A. in een schuldenpositie heeft gebracht. Na de betaling van de huur had de dame € 1 100 over om van te leven en … haar schulden te betalen. In die context is een maandelijkse leningslast van € 492 onhoudbaar. De wet bepaalt dat de rechter de schuld in zo’n geval mag beperken tot het geleende kapitaal.

De rechter neemt het kapitaal van de laatste lening, € 29 987,72, en trekt daar de verzekeringspremie van af en de bedragen die mevrouw A. reeds heeft terugbetaald. Blijft over: € 18 357,15. En daar stopt hij niet. Hij trekt daar nog eens alle kosten van af, intresten en premies die zij voor de vorige leningen al heeft betaald, omdat hij ervan uitgaat dat de bank haar geen enkel krediet had mogen toestaan. Op die manier wordt de vraag tot terugbetaling van € 37 323,42 teruggebracht tot een bedrag van ... € 467,18!

Vredegerecht van Arendonk, 27/1/2015, in: Tijdschrift van de Vrederechters, 2015/9-10, blz. 463
 

NALATENSCHAP

Van gezinswoning naar tehuis

Mijn moeder woont met haar tweede man in een huis dat van mijn moeder is. Mijn stiefvader moet nu naar een verzorgingsinstelling want hij is dementerend. Maar stel dat mijn moeder eerder overlijdt dan hij: dan heeft haar man als langstlevende in principe het vruchtgebruik op die woning. Of verliest die woning voor hem het statuut van gezinswoning doordat hij in een tehuis verblijft?

M. V.O., Tongerlo

B&R antwoordt

Als uw moeder eerder overlijdt dan uw stiefvader, zal hij inderdaad het vruchtgebruik krijgen van de gezinswoning en zelfs het vruchtgebruik van alle andere goederen die uw moeder eventueel nog bezit, dus bv. een ander huis en haar geld op een bankrekening.

Het feit dat hij die gezinswoning niet langer betrekt omdat hij door zijn dementieproblemen in een tehuis is opgenomen, speelt geen enkele rol. Het Burgerlijk Wetboek bepaalt in het kader van de erfenisregels uitdrukkelijk dat de gezinswoning de woning is waar een echtpaar het laatst als gezin heeft samengewoond, zelfs al verblijft de langstlevende partner daar niet meer doordat iets hem dat buiten zijn wil belet. De opname in een verzorgingsinstelling wegens dementieproblemen is zo’n geval.

Als vruchtgebruiker van een huis is men overigens nooit verplicht om er zelf in te wonen. Uw stiefvader zal het huis dus kunnen verhuren, en de huur is voor hem. Door zijn dementie zal hij dat geld weliswaar niet zelf kunnen beheren, maar die taak kan worden toevertrouwd aan een voorlopige bewindvoerder (die kan er o.m. het verblijf in het tehuis mee betalen).

Uw moeder kan dat vruchtgebruik niet voorkomen zolang ze met haar man getrouwd blijft:

> Niet door een testament op te maken waarin ze al haar goederen aan u en uw eventuele broers/zussen toekent. Want bij haar overlijden mag haar man dan zijn wettelijke reserve opeisen: wat de schenking ook bepaalt, hij kan aanspraak maken op de helft van de nalatenschap in vruchtgebruik en ten minste het vruchtgebruik van de gezinswoning.

> Al evenmin door die woning via een notariële schenking aan u te geven of ze te verkopen. Aangezien het om de gezinswoning gaat, heeft ze daarvoor immers het akkoord van haar man nodig, en die kan dat door zijn dementie niet meer geven.

Uit Budget & Recht nr. 246

Dienstencheques

Elk werk moet worden betaald

Mijnheer C. heeft een poetshulp via het systeem van de dienstencheques. Maar voor 44 werkuren heeft hij geen cheques overhandigd. Ook niet nadat het dienstenchequebedrijf daar meermaals op heeft aangedrongen en hem zelfs officieel in gebreke heeft gesteld.

Intussen vordert dat bedrijf van mijnheer C. niet alleen de gebruikersbijdrage voor 44 cheques (toen nog € 8,50 per stuk) maar ook de overheidstegemoetkoming (toen € 13,54 per stuk), of € 969,76 in totaal. Het brengt de zaak voor de rechter.

Die wijst erop dat een poetshulp een normaal loon uitbetaald krijgt van het dienstenchequebedrijf waar
hij/zij is tewerkgesteld. Voor elk uur dat de werknemer presteert, heeft het bedrijf recht op de gebruikersbijdrage én op de overheidstegemoetkoming. Die laatste krijgt het evenwel alleen effectief uitbetaald als het de toegekende dienstencheques inlevert. Doordat mijnheer C., die een contract heeft gesloten met het dienstenchequebedrijf, geen cheques heeft gegeven voor 44 gepresteerde werkuren, loopt het bedrijf de overheidstegemoetkoming dus mis.

Om die reden veroordeelt de rechter mijnheer C. om de totale som te betalen die wordt geëist, dus € 969,76.

Vredegerecht van Antwerpen, 28/11/2013, in: Tijdschrift van de Vrederechters 2015, 524

 

Keer terug naar Onze domeinen.             

Domein: 
Gerecht en justitie
Auteur: 
France KOWALSKY
Uitgave PLU.IM Magazine: 
September 2016