Geur en smaak, chemie of emotie?

Prof. em. UGent Niceas SCHAMP

De mens is een scheikundig fabriekje. Een gewoon chemisch bedrijf produceert chemicaliën, die kunnen aangewend worden voor een hele reeks toepassingen: plastics, geneesmiddelen, verven, pesticiden, adhesieven, springstoffen, voedingssupplementen etc. Het menselijk fabriekje produceert arbeid, lichamelijke arbeid, zoals wandelen en lopen, heffen en sporten, en geestelijke arbeid. Je zou het niet meteen vermoeden, maar de hersenen gebruiken 20-25% van de menselijke energie.

Een bedrijf heeft grote behoefte aan communicatie met de rest van de wereld; het gebruikt daarvoor de telefoon, het internet, de post, de persoonlijke ontmoetingen en andere. Bij het chemisch fabriekje dat de mens is, loopt de uitwisseling van informatie door de ogen, de oren, door rechtstreeks contact, en door de geur en de smaak; dit zijn de zintuigen. De ogen vangen het licht op, dit is een elektromagnetische straling, die ons een zeer gedetailleerd beeld van de buitenwereld geeft. De oren registreren het geluid. De barometer toont aan dat de luchtdruk kan veranderen in de tijd, tussen zowat 950 en 1050 millibar of hectopascal. Die trage veranderingen, die uren kunnen duren, voelen onze oren niet. De oren zijn ontwikkeld om zeer snelle veranderingen van de luchtdruk te registreren, veranderingen van 20-20.000 maal per seconde. Het zicht en het gehoor steunen, samen met de tastzin, die de druk op onze huid en de temperatuur meet, op fenomenen uit de fysica; het zijn de fysische zintuigen.

Daarnaast zijn er de chemische zintuigen, de smaak en de reukzin, die veroorzaakt worden door interactie met scheikundige verbindingen. In de mond zijn er sensoren aanwezig die alles wat in de mondholte komt, analyseren; hier is dus direct contact nodig. In de neus registreren andere sensoren de chemische producten, die in de lucht zitten; zij kunnen opgesnoven worden of langs de keelholte uit de mond komen. De lucht kan van op een grotere afstand komen, meestal enkele meter, soms enkele kilometer voor stankproducten. Het verste wat wij ooit vastgesteld hebben was 150 km, de stank van een afvalproduct, dat geloosd werd door een schip op de Noordzee, en dat geroken werd tot in Leuven.

De fysische zintuigen, zicht, gehoor en tastzin, leveren ons de meeste directe informatie op. Zijn de chemische zintuigen dan onbelangrijk? Neen, duizend maal neen! Zij hebben een dubbele taak: één, zij waarschuwen ons voor gevaren, het gevaar van vergiftiging als we bedorven eten zouden in de mond nemen, het gevaar voor brand, waarbij het minste brandluchtje ons alarmeert. Twee, zij verschaffen ons een van de grote genoegens van het leven, de heerlijke geur en smaak van koffie, van goed gebraden en gekruid vlees, van Merlot en Sauvignon Blanc, van al die verschillende kazen, ook de geur van Chanel nr. 5, van dennenbossen, van kamperfoelie en noem maar op. De chemische zintuigen zijn misschien minder levensnoodzakelijk, maar we kunnen en willen ze niet missen.

Nochtans waren de chemische stoffen de eerste communicatiemiddelen in de levende wereld. Ongeveer 4 miljard jaar geleden ontstond de eerste cel die zich kon reproduceren, het begin van de levende wereld. Die eerste cellen begonnen de grote kolonisatie van de aarde en gaandeweg leerden de cellen informatie op te pikken uit de afvalstoffen van de andere cellen. Die werd veel intenser als de cellen 600 miljoen jaar geleden aan elkaar begonnen te plakken en meercellige wezens werden. En dat fenomeen is voortdurend gegroeid naarmate de wezens complexer werden, tot bij de mens. In ons lichaam gebeurt een groot deel van de communicatie door middel van chemische producten: als wij de adrenaline in ons lichaam voelen stromen, bv. als we kwaad worden, dan is dat letterlijk te nemen: adrenaline, een relatief eenvoudige chemische molecule , wordt vrijgesteld in de bijnier, een orgaantje naast de nieren, door het bloed meegenomen over gans ons lichaam, en  op vele plaatsen opgenomen door receptoren.

 fig. 1  Moleculen zijn piepkleine deeltjes, ongeveer een nanometer groot, dit is een miljoenste van een millimeter. De moleculen in de levende wereld, van microben tot planten en dieren, zijn grotendeels opgebouwd met vier soorten atomen: waterstof, koolstof, stikstof en zuurstof. Atomen zijn simpele bolletjes met een diameter van een fractie van een nanometer. Die vier atomen kunnen op oneindig veel manieren aan elkaar gekoppeld worden. Dat maakt de levende wereld zo complex.

De smaak

Laten we starten met het eenvoudigste, de smaak. Als we aan "smaak" denken, dan gaan we meteen naar wat in de mond gebeurt. Is de wijn lekker, de soep zout genoeg, de koffie te bitter? Dat zijn inderdaad de impressies die de smaakpapillen naar de hersenen sturen. Maar als we chocolade lekker vinden, dan betekent dat meer dan wat op de tong gebeurt. Het betekent ook dat de chocolade prettig smelt in de mond, en vooral dat het aroma, dat we tijdens het kauwen, zonder nadenken, langs de keel naar de neus sturen, ons bevalt; daarom wordt de wijn ook “gekauwd”. Dat geheel van impressies wordt de smaak in brede zin, de smaak sensu lato (s.l.) genoemd. Wat op de tong gebeurt wordt dan beschreven als de smaak in enge zin, de smaak sensu stricto (s.s.). De manier waarop de chocolade smelt, de knapperigheid van de appel, de sappigheid van de peer, de romigheid van de yoghurt, de malsheid van het vlees, dit wordt het mondgevoel genoemd. Daarbovenop komen nog een paar meer specifieke interacties, zoals de adstringerende werking van de tannines in wijn, het koudegevoel van menthol en pepermunt, de pikante smaak van chili pepers. De totaalindruk van wat op de tong gebeurt (de smaak s.s.), plus het aroma, dat in neus wordt geregistreerd, plus het mondgevoel en die aparte interacties, dat is de smaak in brede zin, de smaak s.l. Het Nederlands kent jammer genoeg maar één woord voor beide impressies,  in het Engels spreekt men van taste (smaak s.s.), resp. flavor (smaak s.l.).

De smaak in enge zin

Vele jaren werd de impressie op de tong opgedeeld in zuur, zout, zout en bitter. Daar is enkele decennia geleden "umami” aan toegevoegd, uit het Japans; het wordt best omschreven als "hartig". Je proeft het vooral in sojasaus, in bouillon, in kaas, etc. Veel voedingsmiddelen worden hartiger gemaakt met monosodiumglutamaat (MSG; in het Nederlands eigenlijk mononatriumglutamaat). MSG is een wit poeder met een eenvoudige molecule, een natuurlijk product dat onder andere aanwezig is in veel groenten, champignons, tomaten, bonen, selder, spinazie; het is een aminozuur en dus een van de bouwstenen van eiwitten of proteïnen (fig. 2).

Fig . 2. De molecule monosodiumglutamaat, MSG, rechts de juiste voorstelling, links hetzelfde maar met duidelijker structuur.

Ook de andere smaken steunen op een aantal relatief eenvoudige chemische interacties. Zuur is rechtstreeks evenredig met de aanwezigheid van azijnzuur, citroenzuur, koolzuur e.a. kortweg zuren. Zuren zijn moleculen, die zo zijn opgebouwd, dat ze gemakkelijk een waterstofatoom afgeven. Dat waterstofatoom is dan nog positief geladen, een ion zoals dat genoemd wordt. Een dergelijke waterstof-ion is alom tegenwoordig in de scheikunde en kan allerlei chemische reacties veroorzaken, zoals bv. het oplossen van kalk in de koffiemachine. En het reageert dus ook met de smaakpapillen om de zure smaak te produceren.

Fig. 3. Bovenaan glucose en fructose, onderaan sucrose, waarin glucose en fructose aan elkaar gekoppeld zijn. Let wel, daarvoor moet de fructose molecule omgedraaid worden. Dit zijn drie typische suikers, sachariden of koolhydraten; je merkt het aan het vele rood, dit zijn zuurstofatomen.

De zoute smaak komt van zout, het gewone keukenzout, natriumchloride. Er zijn maar een paar andere, zeer vergelijkbare producten, die ook een min of meer zoute smaak geven; kaliumchloride bijvoorbeeld, dat gebruikt wordt als men natrium moet vermijden omwille van hoge bloeddruk.

De zoete smaak is iets minder eenvoudig: de klassieke zoetstof is de gewone suiker, geproduceerd uit suikerriet of suikerbieten. Het is een iets complexere molecule, sucrose of sacharose genoemd, die opgebouwd is uit twee stukken, glucose en fructose, twee bekende namen (fig. 3). Glucose speelt een uiterst belangrijke rol in ons lichaam als energiedrager. Glucose, fructose en sucrose (dat dus een chemische combinatie is van beide voorgaande) zijn drie typische vertegenwoordigers van de grote klasse van de suikers, ook genoemd koolhydraten of sachariden (deze bevatten ook zetmeel, dat een lange keten moleculen is van glucose, maar dat niet zoet is; koolhydraten worden steeds vermeld op het etiket van voedingsmiddelen). Sucrose, de gewone suiker, is het referentieproduct. Glucose is iets minder zoet dan sucrose  (zoetkracht 0,7), fructose, dat veel gebruikt wordt in frisdranken, is 1,4 maal zoeter. Eigenaardig genoeg zijn er naast deze natuurlijke suikers een reeks andere producten, met een totaal verschillende structuur, die ook en meestal veel sterker zoet smaken, de kunstmatige zoetstoffen. De bekendste zijn, met tussen haakjes hun zoetkracht vergeleken met sucrose: aspartaam (200), saccharine (550), sucralose (650), stevia (250) en de kampioen, lugdunaam, dat nochtans nog niet gebruikt wordt (230 000).

__________________________________________________________________

Triangeltest 

De drempelwaarde van sucrose, de gewone suiker, dit is de concentratie die gemiddeld nog net kan waargenomen worden, is 3,5 g/l. Dit betekent dat men een oplossing van één klontje per liter zou moeten kunnen proeven, een half klontje per liter niet meer. Wie dat zou willen testen kan dat niet zomaar: de smaak is veel te beïnvloedbaar. Wat je kan doen is een triangeltest: laat drie gelijke glazen klaarzetten, niet te onderscheiden van elkaar en in willekeurige volgorde, en laat er één vullen met de suiker oplossing en de andere twee met zuiver water met dezelfde temperatuur. De proef bestaat er nu in, het glas aan te duiden met de suikeroplossing. Je hebt natuurlijk een kans op drie, dat je juist raadt; daarom moet je de proef enkele keren uitvoeren; als je het vier keer op vijf juist hebt, heb je het verschil geproefd.

_______________________________________________________________________________________________

Bij zuur, zout en zoet is er een redelijk eenvoudig verband tussen het product en de smaak, met enige uitzondering voor de kunstmatige zoetstoffen. Voor de bittere smaak ligt dat helemaal anders: er is geen enkele relatie tussen de chemische structuur en de bitterheid. Bitter heeft zich ontwikkeld om ons te waarschuwen voor giftige verbindingen, denk maar aan de vele bessen op planten en struiken. Vandaar dat bitter dikwijls onaangenaam is. Wij zijn ook veel gevoeliger voor bittere stoffen: de drempelwaarde van kinine, de bittere stof in tonic en bitter lemon, is 1000 keer lager dan voor sucrose. Dat belet niet dat we een aantal bittere stoffen in kleine concentratie prettig vinden; denk maar aan koffie, bier, cacao, olijven, witloof, pompelmoes en andere.

Als wij iets lekker vinden, dan zijn het de hersenen die ons dat zeggen. Maar hoe geraakt de informatie van de sucrose, van het citroenzuur etc. in de hersenen? De tong staat vol met papillen, kleine uitstulpingen van verschillende vormen. Aan de oppervlakte van de papillen, in hun epitheel, d.i. de huid, zijn er smaakknoppen ingeplant, in totaal enkele duizenden. De smaakknoppen zijn ovalen bolletjes, die bestaan uit enkele honderden langgerekte cellen,  waarvan 50-100 smaakcellen. Die cellen monden alle uit in een gaatje bovenaan de smaakknop en dragen daar een aantal smaakhaartjes, die een fractie van een micrometer lang zijn en tien keer dunner (fig. 4).

Fig. 4. Smaakknop met de smaakcellen en de smaakhaartjes. De cellen worden om de 10 dagen vervangen.

Die haartjes staan direct in verbinding met het speeksel en zijn dus onderhevig aan alle soorten van chemische producten; zij zijn derhalve erg fragiel. Daarom worden de smaakcellen om de tien dagen vervangen. In het membraan dat de piepkleine haartjes omsluit zitten de receptoren, die de smaakmoleculen kunnen opvangen, de sucrose, de bitterstoffen, het MSG. Het zijn receptoren van hetzelfde type dat de adrenaline registreert, als we kwaad worden, en de honderden andere boodschappers in ons lichaam; dezelfde receptoren die de geneesmiddelen opnemen en zelfs deze die een rol spelen bij het zicht, in het netvlies van de ogen.

Deze receptoren, die een uiterst belangrijke rol spelen in ons lichaam, zijn eiwitten of proteïnen. Proteïnen zijn lange ketens die opgebouwd zijn met een paar honderd aminozuren, zoals kralen aan een snoer. Aminozuren zijn eenvoudige producten die gemakkelijk met elkaar kunnen verbonden worden. Het is heel opmerkelijk dat de levende natuur slechts 20 verschillende aminozuren gebruikt, altijd dezelfde voor virussen, bacteriën, planten, dieren en de mens, hoewel er even goed 100 hadden kunnen zijn. Die 20 aminozuren komen  in oneindig veel verschillende volgorden voor en ze hebben de eigenaardige eigenschap alle op een specifieke manier in elkaar te haken. Het gevolg is dat, als je een eiwitmolecule uitgerekt in water zou gooien, ze bijna onmiddellijk opkrult in een kluwen. Een dergelijk kluwen krijgt daardoor zijn bijzondere eigenschappen (fig. 5).

Fig. 5. Proteïnen zijn lange ketens van aminozuren, veelal een paar honderd. Een dergelijke molecule is moeilijk om voor te stellen; links ziet men de atomen (zonder waterstof), rechts de structuur met stukken in schroefvorm of als platte stukken of als losse draden. Hier een enzyme met ca. 250 aminozuren.

Proteïnen zijn de agenten die de hele scheikunde in ons lichaam regelen: zij organiseren de omzettingen van de ene molecule in de andere, zij treden op als boodschappers (naast de vele kleine moleculen zoals adrenaline), zij controleren de correspondentie tussen de cellen en dus de hele communicatie in ons lichaam, en zij vangen de smaak- en geurstoffen op. Men schat dat er tussen de 100.000 en 500.000 verschillende proteïnen werkzaam zijn in ons lichaam.

De proteïnen van de smaak zijn zo opgebouwd dat ze zich in het membraan van de smaakhaartjes nestelen en wel zeven maal op en af lopen, van binnen naar buiten en omgekeerd. Aan de buitenkant van het membraan heb je dan het begin van de keten en drie lussen, aan de binnenkant drie lussen en het einde van de keten (fig. 6). Als er nu een smaakmolecule, bv. een sucrosemolecule uit het speeksel, contact maakt met een dergelijk eiwit, dat voor sucrose gevoelig is, dan sluiten die lussen zich rond die molecule. Maar daardoor verandert de vorm van het eiwit een beetje, ook aan de binnenkant, en dat steekt dan een heel mechanisme in gang dat een elektrisch signaal creëert dat naar de hersenen gaat. Niet zomaar direct natuurlijk, dat zou te eenvoudig zijn, het signaal wordt nog geprocest zoals de signalen in een computer, maar het resultaat is dat er via verschillende zenuwen een signaal terechtkomt in een hele reeks plaatsen in de hersenen. En die zeggen ons dat we iets zoet proeven.

Fig. 6. 7-domein proteïne, met zeven stukken in schroefvorm met aminozuren, die gemakkelijk in het membraan blijven hangen. Rechts het proteïne in het membraan van de smaakhaartjes; het membraan bestaat voornamelijk uit vetmoleculen, opgebouwd met koolstof-  en waterstofatomen (grijs).

De reukzin

De smaak in brede zin (s.l.) is zoals gezegd een complexe impressie van wat op de tong gebeurt, dat is de smaak in enge zin (s.s.) samen met de geur en het mondgevoel. De belangrijkste bijdrage daarin is de geur: als men iemand blinddoekt en zijn neus afsluit, dan maakt hij de grootste vergissingen bij het proeven van dranken. De smaak s.s. speelt natuurlijk ook een cruciale rol: dat merk je als je een baby iets te drinken of te eten geeft; als hij het niet lust, dan heb je meteen terug: "slikken of spuwen” is de regel. Grotere kinderen en volwassenen laten het niet zover komen: bij hen is de eerste analyse deze van de geur: je kan onmogelijk iets in je mond steken, zonder dat je er, onbewust, aan geroken hebt. Maar de reukzin doet meer dan eten keuren, hij waarschuwt je ook voor vieze lucht, voor brandlucht, voor feces, hij trekt je aandacht met parfums, hij laat je genieten van de geur van bloemen, planten, bossen, van de specifieke geur van de regen op de bodem, van vers gemaaid gazon en duizend andere dingen. Dat allemaal omdat er in de neus receptoren zitten voor een eindeloze rij scheikundige producten, allemaal vluchtige producten weliswaar, producten die kunnen verdampen. Het principe is eigenlijk niet verschillend van de smaak s.s., alleen honderden malen complexer en vele duizenden malen gevoeliger.

Fig. 7. De neus en de reukreceptoren. 1. De bulbus olfactorius waar de eerste verwerking van de signalen gebeurt (2 en 5). 3. Het poreuze been boven het reuk epitheel. 4. Het reuk epitheel bovenaan in de neusholte. 6. De reukcellen met de reukhaartjes die in het neusslijm liggen.

De neus is meer dan wat je ervan ziet: de neusholte loopt helemaal tot aan de keel boven het gehemelte. Die holte bevat een aantal schelpen, om de aangezogen lucht beter te kunnen bevochtigen en voorverwarmen en beter te kunnen zuiveren van stof, ook van bacteriën. Achteraan komt de neusholte samen met de mond achter de huig. Dat betekent dat de lucht in de neus belandt ofwel langs de neusgaten, ofwel langs achteren uit de mond, of ofwel uit de longen.

Bovenaan de neusholte is er een speciaal stukje epitheel (huid), ongeveer tien vierkante centimeter, waarin enkele miljoenen heel bijzondere cellen zitten, die de geurreceptoren bevatten, verdeeld tussen de linker- en de rechterhelft (fig. 7). Bij de hond is dat gemiddeld 170 vierkante centimeter en enkele miljarden geurcellen. De geurcellen zijn zoals de smaakcellen langwerpige cellen, die aan de kant van de neusholte ook een aantal haartjes dragen, waarin de geurreceptoren genesteld zitten. Die haartjes liggen in het neusslijm, een dun laagje waterige oplossing, dat om de 10 min vervangen wordt om het constant vers te houden. De cellen zelf worden om de paar weken vervangen. De receptoren zijn van hetzelfde type als die van de smaak, namelijk 7-domein proteïnen (die ook wel “G-proteïnen gekoppelde receptoren” genoemd worden, G-proteïn coupled receptors, GPCR; G staat voor guanine, een van de vier "letters" van de genen). Hoeveel dergelijke 7-domein proteïnen de mens gebruikt, is nog niet helemaal duidelijk; de huidige schatting is 800. Iedere proteïne komt overeen met een gen; dat betekent dus 800 genen, 4% van het totaal van 20 000 genen. De helft daarvan zou gebruikt worden voor de geurreceptoren, een 300-tal voor de inwendige communicatie (zoals bijvoorbeeld voor adrenaline) en een twintigtal voor de smaak. Dit alleen toont aan dat de geur een veel meer gedetailleerde chemische analyse toelaat dan de smaak. Het geurepitheel bevat dus ongeveer 400 verschillende cellen met elk hun eigen receptor. Die 400 verschillende signalen worden op een bijzonder complexe manier verwerkt in de Bulbus olfactorius, een orgaan dat net boven het geurepitheel ligt. Dat verwerkte signaal gaat dan naar de hersenen.

In de lucht, die hetzij van buiten hetzij via de mond in de neus komt, kunnen er vele duizenden verschillende producten zitten. Normaal zal ieder product met een aantal van de 400 verschillende receptoren interageren, in verschillende mate weliswaar. Die interactie is vaak enigszins anders in de twee kanten van de neus, wat ons kan vertellen uit welke richting de geur komt. Het is niet duidelijk hoeveel verschillende geuren de mens kan onderscheiden, maar het zijn er ongelooflijk veel. Wat wel duidelijk is, is dat er erg veel verschil bestaat tussen individuen, niet alleen in gevoeligheid maar ook in appreciatie (like/dislike). Koriander bijvoorbeeld, dat niet alleen in slaatjes en soep, maar ook in parfums gebruikt wordt, wordt door sommigen als aangenaam ervaren, door anderen als onaangenaam. Men heeft geprobeerd dit te correleren met een welbepaald gen.

De laatste jaren heeft men veel inzicht gekregen in de verwerking van de geursignalen in de hersenen. Daaruit is onder andere gebleken dat hierbij ook de hormonen, die het welgevoelen beïnvloeden, betrokken worden, bijvoorbeeld serotonine (het gelukshormoon) en analoga. Zij beïnvloeden welke impact de geursignalen hebben op de hersenen. De signalen komen vooral in het limbisch systeem van de hersenen terecht, dat is het deel waar emotie, motivatie, genot verwerkt worden.

De verwerking van de geur signalen leidt tot een aantal opmerkelijke resultaten:

  1. Er treedt snel een aanpassing op aan de aanwezige geur; indien je binnenkomt in een lokaal waar een sigaret is gerookt, dan ruik je dat meteen. Maar als je aandacht daar niet op getrokken wordt, ruik je dat na een paar minuten niet meer.
  2. Als de concentratie van een geurstof verdubbeld wordt, ruik je dat, maar de impressie is niet tweemaal groter. Men kan wel een verschil van 7% in concentratie onderscheiden.
  3. De reukzin neemt af met de ouderdom; daarom wordt het eten in rusthuizen veelal iets meer gekruid.
  4. Bepaalde geuren brengen ons bij de minste impressie in actie, bijvoorbeeld een brandlucht.

Er zijn bijzonder veel studies verricht over de gevoeligheid voor en de appreciatie van de geuren door vrouwen, vergeleken met mannen; ook over de reactie van zwangere vrouwen, die enerzijds gevoeliger kunnen zijn voor de geur van voedingsmiddelen en daardoor meer gaan eten en anderzijds een afkeer kunnen vertonen voor welbepaalde producten. Ook naar de verschillen tussen homo's en hetero's, tussen Aziaten en Europeanen, etc. werd gepeild.

Steeds komt daarbij naar voren dat de geuren een bijzonder groot emotioneel effect hebben op de mens. De geur van versgebakken brood, van gebakken vlees, van soep etc. stimuleert de honger, de eetlust. Geur bepaalt ook de affectie voor personen, plaatsen, evenementen; vandaar dat in winkels, casino's, auto’s e.a. soms geuren verspreid worden om de mens een aangenaam gevoel mee te geven.

Er is ook veel onderzoek uitgevoerd over de reproduceerbaarheid van de beoordeling, heel in het bijzonder in het geval van de wijn. Dat betekent dat men de beoordeling van dezelfde wijn door verschillende personen vergelijkt, of dat men dezelfde wijn aan dezelfde persoon laat proeven in verschillende omstandigheden. De resultaten daarvan zijn ontstellend: in beide gevallen is de reproduceerbaarheid zeer beperkt. Een goed voorbeeld vindt men op internet bij het "jugement de Paris” in 1976. Daarbij werden Franse en Californische topwijnen beoordeeld door Franse gereputeerd experts. De beoordelingen op 20 liepen bv. voor dezelfde rode wijn ongelooflijk sterk uiteen, in het extreme geval van 2 tot 17 op 20. Zelfs het gemiddelde van de drie hoogste cijfers van negen juryleden en dit van de drie laagste cijfers verschilden tot 9 en 10 op 20. Wie geïnteresseerd is in het resultaat van deze beoordeling kan dit vinden in Wikipedia. De vraag daarbij is wat de 89 of 92 op 100, die aan een bepaalde wijn gegeven worden, dan wel betekenen. De beoordeling van geur en smaak levert dus geen wetenschappelijk resultaat op: er zijn de individuele preferenties, er zijn de omstandigheden, er zijn de beïnvloedingen, voor de wijn bv. door het etiket en de prijs. Als conclusie kan men stellen dat de enige betrouwbare beoordeling deze is door jezelf.

Besluit.

De chemische zintuigen zijn voor de mens niet meer de allesbepalende bron van informatie zoals dat bij het begin van de levende wereld geweest is. Maar zij waarschuwen ons voor gevaarlijke stoffen in de lucht of in het voedsel. Anderzijds verschaffen zij ons het bijzonder intense genoegen van de voedingsmiddelen en dranken.

Die impressies kunnen jaren bewaard worden; de geur van Chanel nr 5 of Diorissimo kan ons herinneren aan een dame die we jaren geleden ontmoet hebben. Het is dus evident dat geur en smaak, de chemische zintuigen, ons veel meer emotie dan informatie verschaffen. Geur en smaak, chemie of emotie? Neen, chemie en emotie. 

De moleculemodellen werden gemaakt met het programma van ACD labs, gratis te downloaden. De andere figuren komen uit Wikipedia, met dank aan NEUROtiker (fig. 4), Opabinia regalis (fig. 5, fig. 6a), Bensaccount (fig. 6b), Chabacano (fig. 7).

Keer terug naar Onze domeinen.             

Domein: 
Cultuur en Wetenschap
Auteur: 
Prof. em. UGent Niceas SCHAMP
Uitgave PLU.IM Magazine: 
Maart 2017